Medische ethiek nummer 35

Reactie NPV op regeerakkoord - eenzaamheid en zinloosheid én aandacht en barmhartigheid en tenslotte tolerantie

Door dr. R. Seldenrijk

Op vrijdag 13 januari 2007 vertelt de 86-jarige Obbe Terpstra (1921-2007) in Eén Vandaag dat hij van plan is zijn leven te beëindigen. Hij vertelt zijn verhaal op televisie, omdat hij het taboe rond deze wens wil doorbreken. Na inname van een barbituraat sterft hij meteen, aldus zijn zoon, die in de uitzending ook zijn verhaal vertelt. Bij de Stichting Korrelatie (verleent hulp bij psychische en sociale problemen, zowel telefonisch als via internet) komen 125 reacties binnen. Daaruit klinkt een luide roep om zelfbeschikking wanneer het leven is geleefd.[1] Op 20 januari volgt een 2e uitzending, nadat in de tussenliggende week duizenden reacties zijn binnengekomen bij Eén Vandaag. In deze tweede uitzending vertellen 2 dochters hoe zij hun vader hielpen bij zijn zelfgekozen einde: de een hielp haar vader bij het toedienen van zetpillen, de ander door de haak waaraan haar vader zich zou verhangen, vaster in de muur te slaan. 

In de uitzending Rondom Tien van de NCRV op zaterdag 3 maart 2007 werd teruggekeken op de hulp bij de zelfdoding van Obbe Terpstra en de vader van de twee dochters. Prof.dr.ir. E. Schuurman (geb. 1937) nam deel aan de uitzending. Mogelijk hebt u die uitzending gezien. Daar werd volledig duidelijk dat het zelfgekozen levenseinde géén medisch probleem is. Euthanasie en hulp bij zelfdoding zijn cultuurproblemen die principieel niet thuishoren in het medisch circuit, al ben ik niet zeker over de schade bij situering buiten het medisch domein. Deze aspecten bepalen het karakter van mijn bijdrage die gaat over een heel klein hoekje van de grote tuin van pijn en hoop, waar onze gezond­heids­zorg werkt als hovenier.

Er gaat in onze samenleving iets fundamenteel fout op vijf punten. Naar hun aard zijn wij mensen sociale wezens, maar we momenteel ontzettend eenzaam. Er is sprake van een dogmatische zekerheid dat wij alles in de hand hebben en als die zekerheid ons bij de passieve levensfase in ziekte of ouderdom ontvalt, beschouwen we die levensfase als zinloos. We hebben nauwelijks echte aandacht voor onze leefomgeving en daardoor kunnen mensen en dingen slecht gedijen. Bovendien maken we van het begrip barmhartigheid een karikatuur en zucht de samenleving onder de intolerantie van de zogenaamd toleranten. Blijkbaar hebben we in onze samenleving een gebrek gemeenschappelijke aandachtsbronnen waar we op alle niveaus kunnen aanschuiven. Hoe komt het dat mensen in deze cultuur kiezen voor hun eigen dood? Ik schrijf deze woorden in de tijd van 4 mei: dodenherdenking. Opnieuw trof me de levensdrang in de verhalen van enkele oud-gevangenen uit kamp Amersfoort. ‘Tijdens het appèl letten we op elkaar’. ‘Twee mannen grepen mijn polsen toen ik door mijn benen zakte en droegen me naar de barak’. Deze drang tot overleven is veelzeggend. Dat nu een vraag naar levensbeëindiging maatschappelijk breed naar voren komt, is dat óók. En dit typeert onze cultuur. Het paradoxale van de dodenherdenking van weleer en de doodswens van nu zijn typerend. Vanwege dit cultuurprobleem geef ik enkele cultuur-ethische of cultuur-filosofische overwegingen met het oog op de tekst van het coalitieakkoord rond deze thematiek. Ik doe dat aan de hand van enkele gerelateerde kernwoorden: eenzaamheid en zinloosheid én aandacht en barmhartigheid.[2] Binnen onze huidige culturele context moet ik mijn denklijn omvattend afsluiten met een analyse van het begrip tolerantie.

1.         Eenzaamheid

De Regeringsverklaring stelt als vierde peiler voor beleid dat het sociaal niet verantwoord is dat mensen buiten de samenleving staan. Tegenover sociale samenhang staat eenzaamheid. Het woord eenzaam is samengesteld uit ‘alleen’ en ‘samen’. Het lijkt dus dat mensen zich bij voorkeur in een gezelschap eenzaam en geïsoleerd kunnen voelen. ‘Alleen’ en ‘samen’ vallen samen. Maar eenzame mensen vallen juist niet samen met anderen of een gezamenlijkheid. Zij vallen samen met zichzelf en daardoor alleen al onderscheiden ze zich van anderen. Wie definitief en principieel samenvalt met deze positie en zich daarmee identificeert, is eenzaam in de zware klank van het woord, die hunkert naar gemeenzaamheid en gemeenschappelijkheid. Wie eenzaam wordt, is afgesloten van de voedende wortels die in de gemeenschap liggen. Wie er niet in slaagt deze dorst – die hem vanuit onze sociale gevoelens wordt toegeschreven – te lessen, valt buiten de gemeenschap. 

Het is niet de bedoeling dat iemand buiten de gemeenschap kan leven (Gen. 2:18). Wie dat toch probeert, moet een beetje sterven. Dan gaat de eenzame positie bijna fungeren als een verlatenheid, als een soort ballingschap die door de samenleving wordt opgelegd. Zwijgen over iets dat bestaat, lijkt het onwelgevallige uit te wissen. Het kan dodelijk zijn en kan het bestaan achteraf veranderen in een niet-bestaan: ‘doodzwijgen’ noemen we dat. Eenzaamheid is een levensbedreigend aspect. Dat vraagt om de in het Coalitieakkoord bepleite verbetering en versterking van mantelzorg, inzet van vrijwilligers en palliatieve ondersteuning: ondersteunen en doordénken in toekomstperspectief. 

Palliatieve zorg vraagt niet alleen om aandacht voor lichamelijke, maar ook voor sociale en geestelijke aspecten. Goede palliatieve zorg kan alleen direct bij de patiënt en zijn/haar naasten worden gegeven. Indien van toepassing: handen aan het bed, waarbij empirie een wetenschappelijke onderbouwing krijgt.[3] Levensmoeheid vraagt om een andere aanpak dan de ‘klassieke’ indicatie voor euthanasie. Palliatieve zorg zondermeer is daarop geen afdoend antwoord. Wel betreft het perspectief van palliatieve ondersteuning niet de zingéving aan het leven van betrokkene: die is gericht op de zinerváring bij dat leven. Dat vraagt in dit verband verdere doordenking.

2.         Zinloosheid

Omdat de problematiek dieper reikt dan eenzaamheid op zichzelf, moet ik ook ingaan op het begrip zinloosheid. De vraag naar de zin, de betekenis van het leven is ongemeen moeilijk. Binnen een zinsverband hebben woorden alleen zin als ze in verband staan. In de zin “Het gouden zonlicht glansde ‘diploma’ over de golven” heeft het betekenisvolle woord ‘diploma’ geen zin, geen waarde: het laat zich niet opnemen, het laat zich niet met het geheel van de zin versmelten, het past niet in het zinsverband, het hindert en schaadt zelfs. Zo heeft een mensenleven zin als het zich harmonisch voegt in een groot zinvol geheel, als het een onderdeel is van een gemeenschap. Als het goed is, zegt Jezus telkens weer, dan ligt de diepste en eeuwige zin van het mensenleven in het Koninkrijk van God (Matth. 6:33; Luk. 12:31). Ook bijbelteksten zijn nooit los verkrijgbaar. Ze krijgen pas zin en betekenis binnen het verband en uiteindelijk het totale kader van het Woord waarin ze staan. Tegen die diepe en eeuwige achtergrond is elk mensenleven zinvol (Jes. 43:4). Ten opzichte van God bestaat dus geen zinloos leven. God hoeft ook niet over de rand van het wereldgebeuren te kijken om te zien of Hem iets verrast, overvalt, fascineert en zo meer. Ondanks ons mensen is met de komst van Jezus de beslissende fase ingezet van Zijn Koninkrijk. In Zijn Gemeente heeft iedereen een plek (1 Kor. 12). De gedachte dat het leven van de mens zin heeft in een groter verband dan zijn aardse bestaan, lijkt in onze cultuur bijna onmogelijk geworden. Dit komt omdat de gemeenschapszin sinds 1650 gaandeweg is vervangen door individualisme. Met het gedachtegoed van de achttiende eeuwse Verlichting en de Franse Revolutie (1789) op zak waant het individu zich binnen de westerse cultuur autonoom: hij bepaalt zelf wat goed en kwaad is, is zichzelf tot een wet.[4]

Bij ‘zin’ in zinloos gaat het dus om ‘zin’ als ‘betekenis’ en ‘nut’ (Heidelbergse Catechismus antw. 1). Nog maar betrekkelijk kort gebruiken we het woord zinloos om aan te duiden dat iets geen nut of geen betekenis heeft. Wat zinloos is, kunnen we uit een oogpunt van doelmatigheid achterwege laten. De kwalificatie ‘zinloos’ is misschien daarom zo geliefd, omdat daarin een oordeel wordt uitgesproken dat definitief klinkt en waaraan we ons verder zondermeer kunnen houden. Dit woord past in ons huidige spraakgebruik. Daarin geldt als vanzelfsprekend dat wij alles wat we doen, vrijwillig doen en dat we daarmee bovendien een eigen doel willen bereiken. We hebben de illusie dat ons hele bestaan een actieve onderneming is. Bovendien zijn we er van overtuigd dat mensen rationele wezens zijn. Dan ontstaat de dogmatische zekerheid dat wij alles in de hand hebben wat ons van binnen of van buiten overkomt. De zekerheid ook dat wij heer en meester zijn over zelfs onze goeddeels of geheel passieve levensfase in ziekte of ouderdom.

Dit alles maakt het mensen onmogelijk de zin van hun bestaan anders te zien dan als een uitvoering van hun eigen plan. Door onze hoge levensstandaard accepteren we geen negatieve dingen meer, ook geen pijn. Anders gezegd: onze door en door verwende westerse cultuur heeft een negatieve invloed op onze pijnacceptatie. In de media en vooral de reclamewereld worden we dagelijks geconfronteerd met perfectie, met succesvolle, vrolijke mensen. Dat is de wereld van de schone bloemen en kampioenen, jong, sterk, jeugdig en fris, van prestige en status, assertiviteit en autonomie. En wij vragen ons af: waarom ben ík niet zo? Dan is ieder ongemak in gezondheid en welzijn ongewenst. Op basis van de reclame zoeken we dan naar de kortste, neurotische weg naar het ‘geluk’ met – letterlijk en figuurlijk – de snelst werkende ‘pijnstiller’ en als uitersten abortus provocatus en euthanasie of zelfdoding. Maar dan ontkennen we de werkelijkheid van het leven in zijn volle breedte en diepte. 

Door de in onze cultuur overheersende evolutionistische levensvisie denken we dat leven materie is. Materie kun je met techniek beheersen. Zo heeft het ‘menszijn’ een materialistische – zo de lezer wil utilistische, op het nut gerichte – betekenis gekregen. Men vergeet dat elk mensenkind meer dan alleen menselijke waarden ver­tegen­woordigt. Nergens wordt de onaantastbaarheid van de mens zo uitdrukkelijk betuigd en gemotiveerd als in het mensbeeld van de Bijbel. Dan wordt de basis voor de menselijke waardigheid – in het denken over mensenrechten beschouwd als inherent (eigen) aan het menszijn zélf en los van specifieke eigenschappen zoals leeftijd, zelfstandigheid of zelfbeschikking – niet gezien als een immanente (Latijn: immánens = inwonend, innerlijk blijvend, aanklevend) eigenschap van de mens zelf. De christelijke traditie heeft hier met een veelzeggende term gesproken: in plaats van de eigen waardigheid van de mens gaat het om zijn ‘vreemde’ waardigheid, een dignitas alie­na, een aan God ontleende waarde (vgl. Gen. 1:26-27; 9:6; Kol. 3:10; Jak. 3:9; H.C. antw. 6). Die waardigheid is voor de mens bestemd en geeft de mens deel aan de maiestas (= majesteit, verhevenheid, waardigheid, aanzien) van de Verlener. In naam van de aan God ontleende waardigheid van de mens trad Pfarrer Friedrich von Bodelschwingh (1877-1946) de beulsknechten van de SS tegemoet. Zij kwamen in de internationaal bekend staande inrichting Bethel (met zo'n 3.000 zwakzinnige bewoners) de bewoners halen om ze te vernietigen, omdat die het niet waard waren om te leven.[5]   In het overheersend denken moet het leven voldoen aan bepaalde kwaliteitswaarden, het moet behoren tot ‘de schoonste bloemen en kampioenen’. Ons waardeoordeel stompt af. Natuurlijk, zelfs goud heeft een koers. Maar soms is een object zo uniek, dat het niet op waarde is te schatten. We zeggen dan: het is waard wat een gek er voor geeft. De levende mens is onschendbaar en daarom ook beschermwaardig. Dat is zijn absolute en koersvrije waarde in elke fase van het leven. We moeten het menselijke embryo in zijn continue ontwikkeling vanaf de conceptie behande­len als een mens.[6] Het in beheer nemen van de dood versterkt een ontmenselijkende tendens. Het behoort tot het menszijn dat we emotioneel reageren op het wegvallen van relaties. In die zin is afscheid bij euthanasie kil, een reactie die zelfs onderdoet voor het dierenleven: uit de natuur kennen we legendarische treurverhalen. 

Wij lijken te vergeten dat ons ook iets kan overkomen, waarmee we ons doel níét kunnen bereiken. Dit vraagt om een ethiek van de passiviteit: er zijn zaken die zich onttrekken aan onze activiteit, die we niet kunnen veranderen, die we moeten uithouden.[7] Wie in slaap wil vallen, moet de slaap de kans geven hem te overvallen: eerder dan een bepaalde activiteit (zoals fervente pogingen om in slaap te vallen), is hier een passiviteit vereist. Ons onvermogen tot passiviteit komt vermoedelijk voort uit het succes van onze activiteit in manipuleren en beheersen, waardoor we steeds activistischer worden. Juist de religie oefent ons in de omgang met dat wat we niet kunnen maken of manipuleren. Het gaat dan om het begrijpen wat het betekent ziek te zijn, pijn te lijden, een onvervuld verlangen te hebben, om het blijven zoeken naar wat het leven de moeite waard maakt vanuit het perspectief van het leven als geheel. Dat vraagt om een integrale visie op gezondheid en gezonde mensen, op ziekte en de zieke, op de beste manier van genezing ook. Dan blijkt ook hoezeer wij afhankelijk zijn van anderen. De één tot drie miljoen Nederlanders met chronische pijn zijn daarvan het voorbeeld. Pijn heeft de dood als schaduw en dwingt ons na te denken over de grenzen van ons bestaan. Pijn roept gevoelens op van empathie, van medelijden. Met de zinvraag is ten diepste ook de vraag naar God aan de orde. Jezus Christus leed pijn om te laten zien hoeveel het menselijk geslacht Hem waard is, om Zijn liefde te tonen, om de wereld te verlossen.[8] We kunnen ons moeilijk indenken wat ons perspectief zou zijn als Hij Zijn lijden voortijdig had beëindigd! 

Wanneer dit zicht ontbreekt, ontstaan levensvragen zoals die van Obbe Terpstra. Deze vragen winnen in onze samenleving steeds meer veld. Het front verschuift van vragen rondom de euthanasiepraktijk naar vragen rondom de klaar-met-leven problematiek. De NVVE (Nederlandse vereniging voor een vrijwillig levenseinde) stelt het volgende: Uit gedegen empirisch onderzoek blijkt dat voor tallozen het verlies van persoonlijke waardigheid, de aftakeling en de ontluistering, belangrijke redenen vormen om te willen sterven. Juist dit maakt hun lijden dikwijls ondraaglijk. Veel mensen zijn blij met de gewonnen ouderdom, maar behoeven de afbraak tot de laatste steen niet mee te maken. Het verlies van alle controle over het eigen bestaan, van het vermogen tot reflectie of communicatie, de volledige afhankelijkheid van anderen. Ze ervaren het als het onomkeerbaar verlies van persoonlijke waardigheid. Het is tegen deze achtergrond dat wij voor stervenshulp aan oude mensen die niet echt ziek zijn, het ‘waardigheidscriterium’ willen introduceren: het onomkeerbaar verlies van persoonlijke waardigheid, aldus de NVVE.[9]

Prof.dr. B.J.P. Crul (geb. 1941; emeritus hoogleraar pijnbestrijding in het UMC St. Radboud te Nijmegen) zegt dat om de puur medische redenen een verzoek om euthanasie nauwelijks meer nodig is. Geheel anders is het bij de maatschappelijk-cultureel bepaalde verzoeken. Die hebben te maken met de gedachte van autonomie, met zelfbepaling en zelfrealisatie. Als mensen zeggen: dit vind ik ontluisterend en onwaardig. Ondraaglijk wordt het als ik niet meer kan gaan en staan waar ik wil. Dan zijn er geen medische redenen in het geding. Om puur medische redenen is het nog maar in hoge uitzonderingen nodig euthanasie toe te passen. Euthanasie om culturele redenen valt buiten het domein van de arts, terwijl sedatie in de laatste levensfase bij de professie hoort (zie paragraaf 4 over het begrip barmhartigheid).[10] “Bij het mogelijk maken van euthanasie in Nederland is de NVVE de medische route gegaan en nu zitten we met de gebakken peren,” zegt de NVVE-voorzitter tijdens het symposium Hulp bij zelfdoding. Zwitserland in de polder …?[11]

De Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding wordt in het voorjaar van 2007 geëvalueerd. Ik vraag uw bijzondere aandacht voor deze evaluatie. We hebben hier te maken met twee ideologische pilaren. De ene is de lobby voor euthanasie en hulp bij zelfdoding. De andere is de gedachte van de radicale autonomie en zelfbepaling met de overweging dat doden een acceptabel antwoord is op het probleem van het menselijk lijden. De ideologie van de ‘waardige dood’ leidt onverbiddelijk tot een ‘dood op verzoek’. Maar hoe reëel is ons vermogen om zelf te kiezen als het gaat om het alternatief van dood en leven? En wat betekent ‘kiezen’ als ik bij zelfdoding en euthanasie kies voor de vernietiging van mijzelf als kiezer? Toont dit niet de ideologie van de autonomie en de onterechte ‘realiteit’ van de zelfbepaling? Suggereert dit niet ten onrechte de vanzelfsprekendheid van ieders onafhankelijke ‘recht’ op een eigen keuze als het gaat om leven en dood? Met welk recht kiezen en handelen we?

Het recht op bescherming van ieders leven, in welke fase dan ook, kunnen we kort duiden als het recht op leven. Dit is niet opgenomen in de Nederlandse Grondwet, maar wél expliciet erkend in een aantal door Nederland ondertekende, internationale verdragen én in de (grond)wetgeving van een aantal landen. Daarom is het onlogisch dat de Nederlandse Grondwet het recht op leven niet kent. Fundamenteel is de vraag of de notie van ‘onvervreemdbare mensenrechten’ niet met zich brengt dat geen afstand kan worden gedaan van het recht op leven, zodat van een zelfbeschikkingsrecht in de zin van het recht om het leven te (laten) beëindigen geen sprake kan zijn. Zelfbeschikkingsrecht heeft haar grenzen, namelijk daar waar fundamentele waarden in het geding zijn. Actieve levensbeëindiging in de eerste of laatste levensfase mag men proberen te zien als een protest tegen het voortgeschreden medisch kunnen. Dat is de zienswijze van prof.dr. H.H. Dupuis (geb. 1946). Echter, met meer recht zijn zij geen protest daartegen, maar juist een actieve inzet van dat medische kunnen tot de ten uitvoerlegging van de eigen autonomie.[12]   De traditie leert ons dat autonomie in positieve zin altijd een vorm van gehoorzaamheid betekent, van gehoorzaamheid aan de bijbelse geboden, via gehoorzaamheid aan de wet van de goden bij Griekse filosofen zoals Sophokles (496-406) tot gehoorzaamheid aan de wet van de rede bij Immanuël Kant (1724-1804). Ik hoop dat het kabinet in het landsbelang de zorg voor het leven hoog houdt. In het landsbelang? Jawel, want de humanistische Poolse cultuurfilosoof prof.dr. Leszek Kolakowski (geb. 1927) heeft gezegd: “Het loslaten van het principe van de absolute en onvervangbare waarde van elk mensenleven is culturele zelfmoord.”[13] Dit lijkt mij ook leerzaam voor bijvoorbeeld de voorstanders van het zogeheten ‘Groningse protocol’ dat Nederlandse kinderartsen hanteren voor levensbeëindiging bij ‘defecte’ pasgeborenen.[14] Strafrechtelijk ligt deze benadering in Europa moeilijk. Eenheid van rechtspraak is toch een eerste en hoogste ideaal waarnaar de Europese gemeenschap streeft? Vanuit het ook bij Nederlandse filosofen en ethici hoog geprezen kantiaanse gezichtspunt is er volgens Kolakowski geen rechtvaardiging mogelijk om onder welke omstandigheden dan ook te denken dat het leven van mensen minder waard is dan het leven van welk ander mens ook. Volgens deze kantiaanse zienswijze staat of valt onze cultuur met de absolute waarde van elk mensenleven. Loslaten ervan berooft de mensheid van zijn menselijkheid. Verstaan we het sociale appèl dat uitgaat van het leven van de medemens en hebben we daarvoor aandacht?

3.         Aandacht

Aandacht heeft niet zozeer te maken met het spitsen van de oren, zoals we dat bij honden zien. Het gaat meer om het toespitsen van onze blik op een bepaald punt. Wij worden van buitenaf getrokken door iets dat ons opvalt. Aandacht kan ons zelfs overvallen en worden opgedrongen. Het object van onze aandacht vertegenwoordigt voor ons een betekenis. Daarom is aandacht – van binnen uit geproduceerd of van buiten af opgelegd – altijd lonend. Onze werkelijkheid ontleent een groot deel van haar betekenis aan het feit dat zij voorwerp is van geconcentreerde aandacht. Mensen en dingen gedijen blijkbaar bij een vorm van attentie, waarin het hun wordt vergund aanwezig te zijn en niet te worden verwaarloosd (Luk. 5:17-26; Joh. 5:1-9). Dat is de voorwaarde van een voor iedereen levensbestendige omgeving. Deze levensbestendige omgeving is in de jaren negentig ingevoerd in het Rotterdamse verzorgingshuis Akropolis van de Stichting Humanitas. De voordien gangbare verzoeken om euthanasie verdampten in deze nieuwe context zonder dat de opvatting over euthanasie veranderde.[15]

Blijft het naakte feit dat wij dokters stuntelen in de nabijheid van de dood. Kennelijk is het een rol die ons niet goed ligt. In de tijd van Hippokrates was het voor artsen verboden om ongeneeslijk zieken en stervenden te behandelen. Let wel: behandelen. Dat is wat anders dan de zieke en zijn naaste bijstaan. Het was de plicht van de arts de facies Hippocratica – de veranderingen in het gelaat die ook wel het dodenmasker worden genoemd – te herkennen en daarmee de naderende dood vast te stellen. Daarna trok hij zich terug achter de coulissen en speelde de patiënt de hoofdrol in zijn eigen sterfscène. Het probleem van de mens is dat hij een geest heeft en een lichaam is. Dat komt nergens zo pijnlijk en duidelijk aan de orde als in de geneeskunde. Pijnlijk, omdat een lichaam zijn betekent dat we onherroepelijk dood moeten. Duidelijk, omdat een geest hebben betekent dat we ons nooit kunnen ontdoen van dit besef: het refrein is Hein. Toch komt het levenseinde daarmee niet in ons beheer. Zelfs aan ‘de vooravond’ van een geplande euthanasie is de dood ons uiteindelijk nogal eens te snel af.[16]

De ‘marskramers van de dood’ maken geen vermelding van de ernstige bijwerkingen van hun voorstel om een experiment te starten met het faciliteren van zelfmoord door “gezonde, maar levensmoede mensen”, die “vanwege hun ouderdom een gebrek aan waardigheid ondervinden.” Alleen al door het voorstellen van dit soort experimenten door de NVVE en haar geestverwanten wordt de sociale druk op ouderen opnieuw opgevoerd om euthanasie te plegen. Wellicht is dit goed nieuws voor zelfzuchtige familieleden of politici die in de maag zitten met de vergrijzingsproblematiek, zo vraagt Louis van Overbeek.[17] “Ouderen zelf willen echter in overgrote meerderheid helemaal niet dood. Ze willen alleen maar een beetje aandacht.”

Van Overbeek citeert vervolgens de grote humanist Desiderius Erasmus van Rotterdam (1467-1536) in zijn Lof der zotheid. In hoofdstuk 31 herinnert Erasmus er fijntjes aan “dat de mensen, zelfs wanneer hun levensdraad bijna afgesponnen is en de levensgeesten welhaast geweken zijn, nog maar weinig lust gevoelen de aardse narigheid vaarwel te zeggen. Hoe minder reden er voor hen is om in het leven te blijven, des te meer zijn zij daaraan gehecht.”   Bij de onwerkelijkheid van de huidige verheerlijking van de dood kunnen we ook denken aan die bekende passage in hoofdstuk XI (het lied der doden) van de Odysseia of Odyssee van de Griekse wijsgeer Homerus (9de eeuw v. Chr.). Odysseus bezoekt de ronddolende schim van de grote Achilles in Hades (de onderwereld). Achilles streed in de Trojaanse oorlog, werd ten gevolge van zijn liefde voor Polyxena (de dochter van Priamus) verraderlijk in een hinderlaag gelokt en gedood. Vandaar dat Dante Alighieri (1263-1325) hem ziet onder de wellustigen in het inferno (de hel) van zijn in 1300 geschreven La Divina Comedia (de goddelijke komedie; vanwege de eenheid in vorm en inhoud zijn de ruim 14.000 verzen een absoluut hoogtepunt in de wereldliteratuur).[18] Odysseus probeert Achillus met zijn lot als gestorvene te troosten. Hij vroeg hem of hij – eens de schitterendste en meest gevierde held op aarde – ook nu in de onderwereld een bevoorrechtte plaats onder de schimmen inneemt. Dan maant Achilles hem de dood toch niet te prijzen: “Odysseus, maak u toch geen verkeerde voorstelling van het bestaan in het dodenrijk. Liever zou ik als dagloner in dienst van een arm man op aarde zwoegen dan heerser zijn over alle gestorvenen. Maar vertel mij nu over mijn vader Peleus, of hij nog koning is over de Myrmidonen of wordt geminacht nu de ouderdom zijn krachten sloopt en ik hem niet kan bijstaan?”[19] Zelfs de machtigste man op aarde oordeelt dat het grootste verval van waardigheid beter is dan de dood.

Behoudens een enkele uitzondering zoals de Stoa, rust op zelfmoord al in de vóórchristelijke wijsbegeerte een taboe. Afkeer van Magere Hein (en zeker van colportatie met Magere Hein) is niet alleen een universeel gegeven, het is ook een natuurlijk gegeven. De Nederlandse en inmiddels westerse ‘cultuur van de dood’ (zoals Paus Johannes Paulus II - 1920-2005 - het noemde) is een akelige perversie. Als God geen zin heeft, heeft de mens dat ook niet meer (Gen. 4:5-14). Dan gaat alle aandacht uit naar de materiële dimensie van de mens (Rom. 1:28), zo stelt de kerkvorst.[20] Christelijke liefde vraagt meer dan verplicht is, want zij vraagt om gerichtheid op de ander en niet op zichzelf. Dit vraagt ook om zelfverloochening, dat niet direct is verbonden aan het principe van ‘weldoen’. Zo is het – als het goed is – bij de sociale omgeving van wie staat voor ‘de laatste bocht’ van het leven.   Wie het leven beschouwt als een gave van God, kijkt ook anders tegen het lijden aan dan de huidige zich autonoom voelende mens dat doet. Die voelt zich geestelijk verbonden aan de vroegere joods-christelijke Europese cultuur. Daarin werden ziekte, gezondheid, medisch handelen en de dood ervaren vanuit een religieus verstaan van het leven. Het leven wordt geen ge­schenk af als het door moeite of ziekte wordt gekweld (vgl. Job 2:10) en levensbeëindigend handelen kan niet worden gezien als een vorm van barmhartigheid (zie hieronder). Zo staan ten opzichte van levensbeëindigend handelen twee levensovertuigingen tegenover elkaar. Die kloof is niet te overbrug­gen door louter rationele argumenten, al valt er met zuiver argumenteren veel te winnen en is dat zelfs voorgegeven, een sine qua non.

4.         Barmhartigheid

Barmhartigheid is praktijk geworden liefde (Luk. 10:25-38). Volgens William Shakespeare (1564-1616) valt ze als regen uit de hemel. Bij de hedendaagse mens lijkt er een merkwaardige allergie te bestaan tegen alles wat maar op afhankelijkheid lijkt en een inbreuk betekent op de autonomie van het persoonlijke bestaan. “Het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt verliest het steeds weer van de eerbied voor het menselijk leven. Het recht op een waardig einde is nooit expliciet erkend en dat is niet barmhartig,” aldus mr. E. Sutorius, voorzitter van de NVVE.[21] De hedendaagse afkeer van het oude woord barmhartigheid in de canonieke zin is allemaal stampvoeterij van verwende mensen. Onlangs (20 april 2007) verscheen een opmerkelijk rapport van het SCP.[22] ’t Is frappant dat wij van alle Europeanen kunnen beschikken over het grootste informele netwerk, zoals mantelzorg. Het gebruik ervan is echter het laagst in ons land. Dit geeft te denken. Wil de Nederlander anno 2007 nog hulp van een ander ontvangen? Wat zegt dat over kwetsbaarheid en afhankelijkheid?

Alleen in het aller-uiterste geval kunnen we nog aan barmhartigheid denken. En dat aller-uiterste is dan de voltrekking van euthanasie: de laatste illusie, nog zelfstandig te beslissen. Voor de uitvoering ervan zijn we overigens afhankelijk van anderen. En is euthanasie wel een daad van barmhartigheid? Het heet dan dat iemand uit zijn lijden wordt verlost. Maar die iemand wordt door zijn keus een niemand: hij overleeft zijn verlossing niet. Dan is er alleen maar sprake van de dubieuze barmhartigheid van een ‘genadeschot’ (vgl. Spr. 12:10). Er is geen rechtvaardige staatsvorm die de caritas of dienst van de liefde ofwel barmhartigheid overbodig zou kunnen maken. Anders gezegd: alleen in een barmhartige samenleving kunnen recht en rechtvaardigheid tot hun recht komen. Zorg treffen we aan als een elementair verschijnsel van het ecosysteem waarvan wij deel uitmaken, als een natuurlijke behoefte. Maken we die overbodig, dan vernietigen we de barmhartigheid en de leefbaarheid van het leven, omdat we de mens als specifiek menselijk afschaffen.

En als mensen hun leven of dat van hun geliefde niet meer als geschenk kunnen ervaren, als zij het leven en het lijden te erg vinden en als de dokter constateert dat deze persoon lijdt aan ernstige symptomen – zoals ernstige pijn, misselijkheid, dreigende verstikking, en angst – die op geen enkele manier zijn te behandelen? Dat noemen we refractaire symptomen. Als selectieve bestrijding van deze symptomen in ernstige vorm onmogelijk is, blijft alleen het wegnemen van het bewustzijn nog over. Dat is een medische beslissing die specifieke kennis vereist en bij voorkeur in teamverband wordt genomen. Bij sedatie worden niet de symptomen als zodanig behandeld, maar er wordt voor gekozen om de patiënt die symptomen niet meer bewust te laten beleven.[23]   Sedatie is een al oude medische methode. In de laatste jaren wordt die systematisch toegepast in de palliatieve zorgverlening. Sedatie verschilt van euthanasie. Bij euthanasie gaat het om actieve levensbeëindiging; op zijn verzoek krijgt de patiënt dodelijke middelen toegediend in een overdosering die zeker dodelijk is. Het sterven is een gestuurd proces; binnen een half uur kan alles achter de rug zijn. Bij sedatie gaat het om verlaging van het bewustzijn en de patiënt sterft een natuurlijke dood.

Daarom worden voor euthanasie andere middelen (Nesdonal® en Pavulon®) gebruikt dan voor sedatie (Dormicum®). Voor ernstige terminale onrust is morfine niet geschikt. Morfine is een uitstekend middel om benauwdheid en pijn te onderdrukken, maar leidt niet met zekerheid tot de gewenste slaaptoestand. De dosering van morfine alsmaar opvoeren totdat een comateuze toestand ontstaat, is risicovol. Dit kan leiden tot hallucinatoire verwardheid en ontremming (dat noemen we een delier). Dan wordt lijden aan het lijden toegevoegd. Bij sedatie is de dosering van het medicament afhankelijk van de ernst van de symptomen en de gewenste mate van bewustzijnsverlaging.   Sedatie is omkeerbaar, terwijl bij euthanasie op de beslissing nooit meer is terug te komen. Soms is een tijdelijke sedatie voldoende, omdat de situatie voor de patiënt na een korte slaap weer dragelijk is. Het kan ook nodig zijn te kiezen voor diepe en permanente sedatie. Dat is bijvoorbeeld het geval bij dreigende verstikking bij patiënten met tumorvorming in het hoofdhalsgebied en/of de longen. Dan is sedatie de enig overgebleven mogelijkheid.

Vanaf het moment dat de patiënt in slaap is gebracht, moet regelmatig worden gecontroleerd of hij nog rustig is. Onderwijl vragen familieleden en intieme vrienden aandacht en begeleiding. Dat is ook nodig omdat leken én helaas ook zorgverleners sedatie en euthanasie nogal eens verwarren. Het moet allen rond het sterfbed duidelijk zijn dat het doel van de handeling niet de dood is, maar het verlichten van het lijden. De enige indicatie voor het aanpassen van de dosering van het slaapmiddel is het toenemen van het lijden van de patiënt. 

Helaas is de term ‘sedatie in de laatste levensfase’ omgeven door grote spraakverwarring. Wie niet weet wat we er onder moeten verstaan, kan sedatie ook niet verantwoord toepassen. Daardoor is er een reëel gevaar dat te vroeg naar dit middel wordt gegrepen, dat wil zeggen als de stervensfase nog niet is aangebroken: eerder dan een á twee weken voor het verwachte natuurlijk overlijden. Onjuist toepassen van sedatie kan leiden tot een ongewenste medicalisering van het sterfbed. Bovendien heeft de slaap een kunstmatig karakter. Communicatie is niet meer mogelijk, tenminste bij toepassing van diepe en permanente sedatie. Alvorens over te gaan tot permanente sedatie moeten we vaststellen of er voldoende ruimte is geweest om afscheid te nemen en of er nog zaken zijn die moeten worden besproken.   Er kan vervaging ontstaan op het grensgebied van sedatie en euthanasie. Dan wordt een hogere dosering van sederende middelen toegepast dan medisch noodzakelijk is, of er is geen sprake van onbehandelbare (refractaire) symptomen. Het kan ook zijn dat het vooropgezette doel is de dood te bespoedigen. Goed beschouwd gaat het dan om actieve levensbeëindiging. Deze benadering lijkt voor de arts een gemakkelijke sluiproute om uit te komen onder de meldingsplicht voor euthanasie en hulp bij zelfdoding en de daaraan verbonden administratieve rompslomp. Dan is sedatie in de laatste levensfase een strafbare dekmantel voor euthanasie. Het patiëntendossier moet dus uitsluitsel geven over het refractair zijn van de symptomen, de intensiteit van die symptomen, het medisch perspectief, de aard van de medicatie en de verhouding van dosering en symptomen. De sterke stijging van palliatieve sedatie in Nederland in 2006 maakt ons ongerust. “Waarschijnlijk verklaart de stijging van palliatieve sedatie voor een deel de daling van het aantal gevallen van euthanasie en hulp bij zelfdoding,” aldus de Evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.[24] Bovendien constateren onderzoekers dat het absolute aantal sterfgevallen in het onderzoeksjaar lager is dan in 2001 en dat 20% van de euthanasiegevallen op verzoek niet wordt gemeld. Zouden er echt zoveel meer indicaties voor palliatieve sedatie zijn, of is sedatie een vervanging van euthanasie en dus een sluiproute?  Als deze gang van zaken niet snel wordt verhelderd en ingedamd, zet dit de deuren wagenwijd open voor euthanasie zonder daar verantwoording over af te leggen. NVVE en NPV hebben met de Universiteit van Maastricht en het Prof.dr. G.A. Lindeboom Instituut een onderzoek naar het ‘grijze gebied’ in voorbereiding.

Tolerantie

Bovenstaande gedachteoefening rond de begrippen eenzaamheid, zinloosheid, aandacht en barmhartigheid past nauwelijks binnen het in onze cultuur dominante denken, dat ‘neutraal’ en ‘tolerant’ wordt genoemd. Het woord ‘toleran­tie’ en de aanbeve­ling zich tolerant op te stellen zijn – zoals bekend – buitenge­woon populair. Maar, zoals vaak het geval is met veelgebruikte woorden, tolerantie wordt onzorgvuldig, onvoorzichtig en voor de meest uiteenlopende doeleinden gebruikt. Daardoor is het soms onduidelijk waar het nu eigenlijk over gaat. Hoewel het woord tolerantie voorkomt in het klassieke Latijn (tolero, tolerare), is tolerantie pas een maatschappe­lijk probleem in het zestiende-eeuwse Europa. Dat werd veroorzaakt door religieuze verdeeld­heid en godsdienstoorlo­gen.[25] Tolerantie was eenvoudigweg het niet-vervolgen van anderen om hun religieuze overtui­gingen en praktijken. Vandaag de dag lijkt dit simpel en zelfs weinig discutabel. 

Bij nadere beschouwing doen zich evenwel complicaties voor. Christelijke pleitbezorgers van de tolerantie in de zestiende en zeventiende eeuw verklaar­den dat we elkaar niet zouden moeten afslachten om een godsdienstig verschil van mening. God zal ons in het laatste oordeel niet om onze juiste of onjuiste mening over theologische aangelegenheden vragen, maar naar de wijze waarop wij hebben geprobeerd te leven volgens de geboden van het evangelie: de werken van barmhartigheid (Matth. 25; m.n. vs. 34-36), zo betoogden zij. Van daaruit kon men echter gemakke­lijk tot de conclusie komen dat geen van de kerken of religies bestaansrecht hadden, aangezien de verschillen relatief waren. Hiermee sloop een andere betekenis het idee van tolerantie binnen: onverschilligheid. Zowel cultureel als psycholo­gisch is het iets anders om tegen iemand te zeggen: “Je draagt verschrikkelijke, foute en schadelijke ideeën uit; ik zal je hoofd er echter niet afhakken, maar de zaak aan Gods oordeel overlaten” dan te beweren “Je mag kletsen wat je wilt over religie, want dat doet er toch allemaal niets toe.” Dit alles speelde zich overigens af binnen de kaders van een nog christelijke cultuur. Zelfs in het relatief erg tolerante Nederland van de zeventiende eeuw werd openlijk atheïsme niet getolereerd.

We hebben niet alleen te maken met religieuze tolerantie, het gaat ook over de houding van mensen en over ons eigen gedrag en onze omgangsvormen. In de oorspronkelijke betekenis van het woord ben ik tolerant, als ik niemand vervolg, geen vervolging eis en me niet agressief gedraag ten opzichte van iets waar ik duidelijk niet van houd, wat mij steekt of wat mijn afkeuring of afkeer wekt. Dat kon bijvoorbeeld het geval zijn rond Pim Fortuyn (1948-2002), maar hij mocht niet worden doodgeschoten (6 mei 2002). In soortgelijke betekenis gebruiken wij tolerantie in de medische wetenschap en in de techniek. Medicij­nen richten schade aan, maar we spreken van een tolerantie van een medicijn, indien het lichaam het medicijn binnen bepaalde grenzen tolereert. Dat wil zeggen: het lichaam verdraagt zonder te worden beschadigd. In Frankrijk werden bordelen (verkleinwoord van het oudfranse borde = planken hut; Lat. bordellum = huisje) vroeger maisons de tolérance genoemd. Deze benaming suggereerde dat het ging om een slechte instelling die echter om uiteenlopende redenen maar beter kon worden getolereerd. Van buiten en binnen mogen geen fundamentalistische religies en ideologieën de West-Europese cultuur schaden. Onverschillige vrijheid-blijheid verwoest in korte tijd culturele waarden die per definitie eeuwen zijn gerijpt.

Hier ligt een actueel probleem. Tegenwoordig eist men vaak tolerantie in de vorm van onverschilligheid, een gebrek van wat voor mening dan ook, of soms zelfs de goedkeuring van alles wat wij krijgen te zien aan mensen en overtuigingen. Dat betekent echter heel iets anders. De eis tolerant te zijn in deze nieuwe betekenis maakt deel uit van onze hedonistische genotscultuur met verwende mensen. Daarin heeft niets nog betekenis: genot is het enige intrinsieke, wezenlijke goed. Het is de filosofie van een leven met geen enkele verantwoordelijkheid en geen enkele overtuiging. Deze tendens wordt versterkt door filosofische modes die ons leren dat de waarheid in eigenlijke zin niet bestaat, aldus prof.dr. Leszek Kolakow­ski.[26]

Onze beschaving draagt het gevoel uit dat alles een spelletje moet zijn, zoals de kinderlijke filosofietjes van de zogenoemde ‘new age’. Daarvan weet niemand wat ze inhouden, omdat ze alles kunnen betekenen wat iemand wil dat ze betekenen. Als ik wél een overtui­ging heb en daaraan ook vast­houd, zondig ik dus tegen deze nieuwe ‘tolerantie’. Dit is echter schadelijke onzin. Minachting voor de waarheid is niet minder verwoes­tend voor onze beschaving dan een fanatiek beleden fundamentalisme. Een onverschillige meerder­heid effent de weg voor fanatici, die overal zijn te vinden. Elie Wiesel (geb. 1928) overleefde Auschwitz, is schrijver van verschillende boeken over zijn ervaringen in de Holocaust en winnaar van de Nobelprijs voor de vrede (1986). In 1988 zei hij het in het Anne Frank Huis zo: “Het tegengestelde van leven is niet dood, maar onverschilligheid voor leven en dood. En daarom geloof ik dat literatuur of kunst of schrijven of onderwijzen of werken voor de menslievendheid maar één doel heeft: de strijd aangaan tegen onverschilligheid. (...) Onverschilligheid tast alles aan, het sust in slaap en doodt nog voordat het doodt. De onverschilligheid is het meest verraderlijke van alle gevaren.”[27]   Laat ik dit uitwerken aan de hand van een voorbeeld. In veel beschaafde landen wordt homoseksuali­teit toegestaan. De rooms-katholieke kerk en orthodoxe protestantse stromin­gen zien echter op basis van de Schrift homoseksualiteit als leefwijze – te onderscheiden van een homofiele gerichtheid van de persoon – als moreel ontoelaat­baar. Als de kerk zou willen terugkeren naar een wettelijk verbod, zou je haar kunnen beschuldigen van laakbare intolerantie. Echter, homo-organisaties eisen van de kerk dat ze haar leer herroept en dat is nu juist laakbare tolerantie van de andere kant. Denk aan de gevoerde hetze rond de benoeming van bisschop dr. W.J. Eijk (geb.1950) van Groningen in het najaar van 2000. Wanneer homoseksue­len beweren dat de kerk dwaalt, kunnen ze uit de kerk stappen zonder door iets of iemand te worden bedreigd. Maar wanneer zij hun eigen opvatting op luidruchtige en agressieve wijze aan de kerk en de samenleving willen opdringen, verdedigen zij geen tolerantie, maar propageren ze intolerantie: in naam van de nieuwe tolerantie: de tolerantie der intoleran­ten tot in het fanatieke. Denk aan de fundamentalistisch aandoende hetze anno 2007 rond trouwambtenaren. Tolerantie is effectief als ze van twee kanten komt. Wee ons, als we toestaan dat de intolerantie, de zin om anderen door agressie en geweld te bekeren, wordt vervangen door onverschillig­heid waarbij niemand meer ergens in gelooft, waarbij het niemand ergens meer om gaat, als het leven maar leuk is. In dat geval worden we hoe dan ook het slachtoffer van de een of andere ideocratie: de heerschappij van een ideologie. De lof des gewelds kan niet worden bestreden met de lof der algehele onver­schillig­heid, aldus Kolakowski.[28]

5.         Samenvattend

Ik vat samen: Eenzaamheid is een levensbedreigend aspect en vraagt om mantelzorg en palliatieve ondersteuning van professionals en vrijwilligers, gericht op de zinerváring bij dat leven. Als de dogmatische zekerheid – dat wij alles in de hand hebben bij de passieve levensfase in ziekte of ouderdom – ontvalt, wordt die levensfase als zinloos ervaren. Dit vraagt om een ethiek van de passiviteit die het overheersende materialistische/evolutionistische levensbesef doorbreekt en daarmee ogen opent voor zinerváring. Mensen en dingen gedijen bij aandacht. Er is geen rechtvaardige en voor ieder leefbare staatsvorm die de caritas, de aandachtige dienst van de liefde ofwel barmhartigheid, overbodig zou kunnen maken of die zucht onder de intolerantie van de zogenaamd toleranten. 

Ik roep de christelijke partijen en in het bijzonder de ChristenUnie in deze kabinetsperiode op dit ook uit te dragen. Durf het debat over deze onderwerpen aan te gaan. Benoem het cultuurprobleem waarmee we te maken hebben en leg daarbij uit dat een multiculturele samenleving alleen kan bestaan met tolerantie in de canonieke betekenis van het woord. Laten we de kustlijn van het land der rationele analyse in het oog blijven houden. Daarbij is het zuiver argumenteren voor een multiculturele samenleving een sine qua non. Wij zijn vanuit de NPV te allen tijde bereid CU en Kabinet in dat debat – en bij de voorbereiding daarvan – te steunen. 

Ter afsluiting geef ik dit kabinet nog enkele concrete aanbevelingen. Daarbij benadruk ik dat niet alles een overheidstaak is. De overheid kan echter wel de voorwaarden creëren om maatschappelijke organisaties met expertise op deze terreinen te stimuleren. 

Levenseinde-problematiek

-    Gebrek aan aandacht, eenzaamheid, de ‘klaar-met-leven’ gedachte en de ervaren zinloosheid staan met elkaar in relatie. Een werkgroep zou kunnen nadenken over de bron van het succes van afnemende euthanasievraag in combinatie met goede zorg (bijv. Akropolis in Rotterdam) en de ‘klaar-met-leven’ problematiek. Laat enkele kundige mensen op dit terrein, zoals de wijsgeren prof.dr. A.P. Bos, prof.dr. S. Griffioen en prof.dr. P. van Tongeren, cultuurfilosofen zoals dr. G. Buijs en prof.dr. E. Schuurman én een medisch-ethicus zoals prof.dr. H. Jochemsen de realiteit van het kiezen voor de dood, de gevolgen ervan en de ‘therapeutische mogelijkheden’ analyseren met het oog op een zinvolle samenleving voor iedereen.

-    Zet de evaluatie van de Wet levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding op de beide cultureel-ideologische pijlers van het levensbeëindigend handelen: euthanasielobby én radicale autonomie, die niet spoort met de daarbij aangegeven wijsgerige bron. Probeer tot zuivere analyses en discussies te komen en terug te keren tot tolerantie in de canonieke betekenis van het woord. Hierbij verdienen de eenheid van strafrecht en controle én het in voorbereiding zijnde onderzoek van NVVE en NPV naar het ‘grijze gebied’ (bijvoorbeeld rond terminale sedatie) aandacht.

-    Blijf gezondheid in de brede zin van het woord opvatten: als een situatie van lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden en ga daarbij uit van een integrale visie op de mens in zijn verschillende aspecten, zijn gezondheid en ziekte en een evenwichtige levensstijl.  

Palliatieve zorg

-    De bekendheid met en visie vorming op palliatieve zorg (met aandacht voor de hele mens) in vrijwilligerswerk en mantelzorg zijn gering. Daarom moet deze zorg in onderwijs, voorlichting en praktische toepassing worden uitgebouwd: stimuleer bijvoorbeeld een voorlichtingscampagne over palliatieve zorg. In tegenstelling tot de Belgische bevolking weet de Nederlandse bevolking nauwelijks wat palliatieve zorg inhoudt. Bouw bestaande consultatie functies voor palliatieve patiënten uit.

-    Maak geld vrij voor casemagement in de palliatieve zorg; de organisatie van zorg vraagt nu te veel aandacht van mantelzorger en patiënt.

Mantelzorg

-    Geef mantelzorgers de steun en aandacht die zij verdienen; neem vormen van mantelzorgondersteuning (advisering aan mantelzorgers, ondersteuningscursussen) op in de verstrekkingen van het basispakket van de ziektekostenverzekering.

-    Steun belangenorganisaties voor mantelzorgers en stel hen in de gelegenheid om goede ideeën te laten groeien en uit te voeren.  

Preventie

-    Investeer zowel in primaire (gericht op de hele bevolking) als secundaire (informatie op maat voor de patiënt) preventie. Bewustwording kan ontstaan door gezondheidsvoorlichting en opvoeding vanuit een integrale visie op gezonde mensen en gezondheid, op de zieke en ziekte, op de beste geneeswijze en manier van genezing ook. Daarin kan de levensovertuiging een belangrijke rol spelen: voorlichting is niet waarden-vrij. Patiëntenorganisaties kunnen hierin een belangrijke positie innemen.

-    Stimuleer de juridische verankering van positieve schriftelijke wilsverklaringen en bevorder het gebruik ervan in instellingen zoals ziekenhuizen of verpleeghuizen bij besluitvorming ten behoeve van een wilsonbekwame patiënt met een schriftelijke wilsverklaring.

-    Stimuleer consultatiebureaus voor ouderen en denk daarbij niet alleen aan leeftijd gerelateerd gezondheidsklachten (problemen met hart en vaten, valrisico of problemen met het geheugen, eenzaamheid, depressie en angsten) maar laat ook leefstijl, welbevinden en het voorkomen van overbelasting door mantelzorg aandachtsthema’s zijn.

Met dank aan collega Elise van Hoek-Burgerhart

 

[1] http://www.korrelatie.nl/content/html/37.asp?clusterid=33&id=41

[2] C. Verhoeven, Dierbare woorden – beschouwingen over de woordenschat. pag. 7, 40, 115 en 504 Uitg. Damon – Budel 2002

[3] W.W.A. Zuurmond, Laatste hulp bij slopende ziekten – wetenschap of empirie?Inaugurele rede. Uitg. VU medisch centrum – Amsterdam 2006

[4] <personname>R. Seldenrijk</personname>, Als je je anders voelt – homofiele gerichtheid, homoseksualiteit, transseksualiteit en de christelijke gemeente. pag. 175 Uitg. Oogstpublicaties/Groen – Amsterdam/Heerenveen 2004

[5] H. Thielicke, Theologische Ethik Teil I Band II. pag. 214-216 Uitg. J.C.B. Mohr (Paul Siebeck) – Tübingen 19734; H. Thielicke, Wie mag sterven? – gewetensvragen in de moderne geneeskunde. pag. 48-52 Uitg. Zomer & Keuning B.V. – Ede 1980

[6] J.A. Los, Het menselijk embryo naar waarden geschat. In: R. van de Beek, e.a. (red.), Leven en laten leven - Lezingen gehouden tijdens het 4e lustrumcongres NAV 1992. Speciale uitgave van Vita Humana – Tijdschrift voor Medische Ethiek jrg. XX nr. 1/2 pag. 23-27 (1993)

[7] P. van Tongeren, Activiteit en passiviteit. In: Tijdschrift voor geneeskunde en ethiek jrg. 9 nr. 1 suppl. pag. 13-16 (1999)

[8] W. Dijk, Th. Tromp (red.), De dood ter sprake – cursus over stervensbegeleiding voor verpleegkundigen en artsen. Uitg. Reliëf: christelijke vereniging van zorgaanbieders – Utrecht 20052

[9] http://www.nvve.nl/nvve2/pagina.asp?pagkey=75000

[10] B.J.P. Crul, Genade van een zachte dood - terminale sedatie als alternatief voor euthanasie. In: Medisch Contact jrg. 59 nr. 34 pag. 1312-1314 (2004); E. van Dijkhuizen, Pijn als gesel en gave – prof.dr. Ben Crul: euthanasie om strikt medische redenen niet nodig. In: Reformatorisch Dagblad d.d. 22 september 2006

[11] F. Verbakel, ‘Het zelfbeschikkingsrecht verliest het steeds weer van de eerbied voor het menselijk leven – NVVE-voorzitter Eugène Sutorius’. In: Relevant nr. 1 pag. 11-13 (2007)

[12] W.J. Eijk, Zelfbeschikkingsrecht: begrensd of onbegrensd? In: Pro Vita Humana jrg. 11 nr. 2 pag. 49-55 (2004); Th.A. Boer, Van autonomie terug naar natuurlijkheid? Een reactie op prof.dr. H.M. Dupuis. In: Pro Vita Humana jrg. 11 nr. 2 pag. 62-65 (2004); A. Rouvoet, S. Westland, Recht op leven: een grondrecht!. In: Pro Vita Humana jrg. 11 nr. 3 pag. 81-84 (2004)

[13] L. Kolakowski, Het doden van gehandicapte kinderen als fundamenteel probleem van de filosofie. In: Rekenschap, humanistisch tijdschrift voor wetenschap en samenleving jrg. 19 pag. 8-15 (1972)

[14] J.A. van Dommelen, Laten sterven of doen sterven. In: Zorg jrg. 22 nr. 4 pag. 8 (2004); <personname>R. Seldenrijk</personname>, Levensbeëindiging van (pas)geborenen. In: Zorg jrg. 22 nr. 4 pag. 9 (2004)

[15] B. van der Wal, Welzijn in plaats van de pil. In: CV KOERS jrg. 3 nr. 6 pag. 48-53 (2001)

[16] B. Keizer, Het refrein is Hein – dagen uit een verpleeghuis. pag. 9-21 Uitg. Sun Literair – Nijmegen 19943; M. Boorsma, Zin en misdaad – een dooie rat achter de schutting? In: F. Meulenberg, J. van der Meer, A.K. Oderwald (red.), Ziektebeelden – essays over literatuur en geneeskunde. pag. 85-91 Uitg. Lemma – Utrecht 2003; E. Kruys, Angst voor de dood. In: F. Meulenberg, J. van der Meer, A.K. Oderwald (red.), a.w. pag. 381-391

[17] L. van Overbeek, Marskramers van de Dood. In: Katholiek Nieuwsblad d.d. 6 april 2007

[18] Dante Alighieri, De hel – uit De Goddelijke komedie. pag. 56 Uitg. Ambo/Anthos – Amsterdam 20003

[19] Homeros’ Odyssee - naverteld door dr. Onno Damsté. pag. 86 Uitg. Het Spectrum N.V. – Utrecht/Antwerpen 1968

[20] W.J. Eijk, Johannes Paulus II al ruim 25 jaar aan het woord over de waarde van het leven. In: Pro Vita Humana jrg. 12 nr. 1 pag. 10-16 (2005)

[21] F. Verbakel, a.w.

[22] E. Pommer, E. van Gameren, J. Stevens, I. Woittiez, Verschillen in verzorging - de verzorging van ouderen in negen EU-landen. Uitg. Sociaal en Culureel Planbureau – Den Haag 2007

[23] <personname>R. Seldenrijk</personname>, Sedatie is geen euthanasie, tenzij … In: Zorg jrg. 22 nr. 3 pag. 4-5 (2004); KNMG-richtlijn palliatieve sedatie. Commissie landelijke richtlijn palliatieve sedatie. Uitg. KNMG – Utrecht 2005; NAV en JPV standpunt inzake de KNMG-richtlijn palliatieve sedatie. Uitg. NAV-Vlijmen zj; B.J.P. Crul. ‘Neemt u maar een paracetamolletje’ - afscheidsrede. Uitg. Radboud Universiteit – Nijmegen 2006; K.C.P. Vissers, Palliatieve zorg als ‘heelkunst’: preventie en integratie in de levenscyclus! – inauguratie. Uitg. Radboud Universiteit – Nijmegen 2007

[24] De evaluatie van de Euthanasiewet werd in opdracht van het ministerie van VWS en onder auspiciën van ZonMw uitgevoerd door onderzoekers van VU medisch centrum, Erasmus MC, AMC en UMC Utrecht, in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het rapport is op 8 mei 2007 formeel in ontvangst genomen door staatssecretaris Bussemaker van VWS. Zie ook: Daling aantal gevallen euthanasie; stijging meldingspercentage. Persbericht VWS nr. 19 d.d. 10 mei 2007

[25] L. Kolakowski, Over het alledaagse leven. pag. 7-12 Uitg. Boom - Amsterdam 2000

[26] L. Kolakowski, a.w. 2000

[27] H. Jansen. Het grote gevaar van onverschilligheid – herdenking 4 en 5 mei. In: Katholiek Nieuwsblad d.d. 2 mei 2003

[28] L. Kolakowski, a.w. 2000  

terug